De gestalte van het zorgparadigma

Een vierde etape bestaat erin het nieuwe project te concretiseren. Een nieuw project kan een ijkpunt betekenen in het nieuwe verhaal dat wordt uitgetekend en kan zo de gekoesterde ambities en verwachtingen verder uitdragen. Er wordt in deze stap best grondig nagedacht over de richting die men wil uitgaan en de manier waarop het gebouw aan deze nieuwe richting gestalte kan geven.  

Het gebouw be- of her-denken vraagt om voldoende kritische zin en het uitwerken van een breed gedragen en ambitieuze visie. Wat is de huidige werking en welke transitie wil men teweegbrengen? Waarin falen de bestaande gebouwen en op welke manier wil men een correctie doorvoeren? Hoe kan beter op de noden en aspiraties van het personeel, bewoners, bezoekers worden geanticipeerd? Op welke manier kunnen abstracte ideeën van openheid, gastvrijheid en ontvangst concreet gestalte krijgen? Hoe kan een meer geschakeerd van zorgrelaties worden gearticuleerd en in de nabije of verdere toekomst ruimtelijk ondersteund? Hoe kan het beoogde zorgprogramma worden vertaald naar het gebouw? 

Tijdens dit atelier namen we het Veilig Verblijf – en hoe via het gebouw gestalte geven aan zowel visie als aan de invulling van veiligheid – en de initiatieven Veilige Trajecten als centrale cases. De betrokken jongeren bevinden zich immers in een situatie die als verontrustend wordt getaxeerd en waarvoor beveiliging opgelegd wordt via een (gesloten) verblijf. Een historische terugblik op de jeugdhulpverlening door Karel de Vos toonde hierbij aan dat historische logica’s en ‘oervormen’ van hulpverlening nog steeds bepalend zijn in het huidige jeugdhulplandschap en dit uitgestippelde beleid. Zo manifesteert de historische invulling van gesloten verblijf (‘plaatsing’) als spreekwoordelijke stok achter de deur zich nog steeds in het huidige beleid rond het Veilig Verblijf, dit terwijl geslotenheid op zich vanuit een mensenrechtendiscours als inherent problematisch beschouwd kan worden.  

Stefaan Kaesteker van Ruyskensveld bood een inkijk in de conceptualisering van hun initiatief Veilig Verblijf; ze zetten hierbij sterk in op een zoektocht naar zowel huiselijkheid als openheid binnen deze geslotenheid. Het is een blijvende zoektocht hoe deze visie ook vertaald kan worden in de ruimte en in het gebouw: de campus is opgevat als huizen rondom een groen plein en een open site, dit als alternatief voor de meer klassieke architecturale geslotenheid. Het Veilig Verblijf is een verbouwing van een voormalig klooster dat mee geïntegreerd werd in de campus, met een gelijklopend concept als dat voor de open werkingen: met een identieke inrichting als in de andere leefgroepen, zonder enige camerabewaking in het ganse gebouw en met een constante zoektocht naar zowel beveiliging als openheid met, inherent hieraan, ook risico’s… Het gebouw werd al grondig getest maar de filosofie is steeds bewaard gebleven en – ondanks de geslotenheid en een maatschappelijke druk tot deze geslotenheid – is er een sterke maatschappelijke gerichtheid, onder andere via frequente extramurale activiteiten. Bij deze zoektocht wordt er grote waarde gehecht aan een intersectoraal samengestelde stuurgroep die een opdracht tot constante kritische reflectie op zich neemt.  

Jean-Luc Kabergs en Stef Lodewijckx duidden aansluitend de initiatieven Veilige Trajecten, resp. vanuit het netwerk Schipbreukelingen en Oranjehuis. Hierbij wordt afgestapt van de invulling dat beveiliging per definitie via gesloten verblijf dient te gebeuren en wordt – via een netwerkorganisatie enerzijds en via een diversiteit van ondersteuningsmogelijkheden anderzijds – voor, en samen met, elke jongere gezocht naar een ‘veilig traject’. Doorheen een nauwe samenwerking met de jongere in kwestie en zijn of haar context, dewelke start met een gezamenlijke reconstructie, wordt een individueel zorgaanbod gerealiseerd waarbij verblijf eerder een mogelijkheid dan een voorafname is. De inzet van verblijf – met een tijdelijk karakter of in de zoektocht naar een woonst – is zo een mogelijkheid maar geen uitgangspunt en het gebruik van ruimte (place en space) wordt een expliciet onderdeel van de trajecten met de jongeren en hun netwerk.  

Het levendige debat werd voorafgegaan door een reflectie door Jan Naert en Delphine Levrouw (beiden vanuit het KOC leef- en werkklimaat (residentiële) jeugdhulp Vlaanderen), en door Stijn De Vleeschouwer (vanuit het Team Vlaams Bouwmeester). Centraal stond daarbij het samenspel tussen visie en de ruimtelijke, onder andere architecturale, vertaling en het grote belang van logica’s en regimes die zeer bepalend zijn en die ook weerspiegeld worden in ruimtelijke keuzes. Het risico bestaat zo dat de ruimtelijke conceptualisering de zoektocht naar bijv. openheid of pedagogiek bij voorbaat resp. hypothekeren of bepalen. Ook sloot het debat aan bij de zoektocht naar de plaats van residentieel verblijf tout court binnen de jeugdhulpverlening: verblijf dat op verschillende wijzen ingevuld en geconcipieerd kan worden en dat zo ook mogelijkheden en beperkingen voor zowel de jongeren als voor de praktijk en betrokken medewerkers met zich mee brengt.  

Laatst nagekeken op: .