Het Bindend Sociaal Objectief: méér dan een kwantitatieve uitdaging

Publicatiedatum:

Opinie

OO3609_O ©BAS_Dirk Jaspaert, Bulk Architecten cvba, BUUR Bureau voor Urbanisme

De nood aan betaalbaar en kwaliteitsvol wonen in Vlaanderen is groot. Maar hoe bouwen we bijkomende woningen  zonder open ruimte aan te snijden? Hoe zorgen we ervoor dat de nieuwe woningen tot stand komen via verdichting en reconversie van reeds bebouwde gebieden, in de nabijheid van openbaar vervoer en voorzieningen? En hoe blijven de architecturale en woonkwaliteit gegarandeerd?

Op 3 april besliste de Vlaamse Regering over het nieuw Bindend Sociaal Objectief: tegen 2042 moeten 50.000 nieuwe sociale huurwoningen gebouwd worden. Ze worden verdeeld over de lokale besturen, die elk een groeipad krijgen met tussentijdse doelstellingen in 2030 en 2036.  

De nood aan betaalbaar en kwaliteitsvol wonen in Vlaanderen is groot. Het aandeel sociale woningen bedraagt vandaag slechts 6%, de wachtlijsten zijn ellenlang en het aanbod moet drastisch naar omhoog. Als Vlaams Bouwmeester juich ik de inhaalbeweging dan ook toe, en samen met mijn team wil ik graag bijdragen aan een geïntegreerde aanpak ervan. Het Bindend Sociaal Objectief vormt immers niet alleen een kwantitatieve uitdaging. Willen we voorkomen dat de bouwcampagne ongewenste effecten zou hebben, dan moeten we ervoor zorgen dat ze ook aan een andere urgente maatschappelijke doelstelling beantwoordt: de realisatie van de bouwshift. Hoe bouwen we bijkomende woningen – zowel sociale als andere vormen van betaalbaar wonen – zonder bijkomende open ruimte aan te snijden? Hoe zorgen we ervoor dat de nieuwe woningen tot stand komen via verdichting en reconversie van reeds bebouwde gebieden, in de nabijheid van openbaar vervoer en voorzieningen? En hoe blijven de architecturale en woonkwaliteit gegarandeerd?  

Door de inhaalbeweging die de sociale woonmaatschappijen vandaag moeten maken, bestaat het risico dat het laaghangend fruit eerst wordt geplukt: het bebouwen van de overblijvende greenfields die in het verleden aan voordelige tarieven door de woonmaatschappijen werden verworven op minder wenselijke locaties. Naast de kwantitatieve doelstellingen van het Bindend Sociaal Objectief, zijn er daarom ook ruimtelijke en kwalitatieve targets nodig voor sociale woonprojecten.  

De middelen die Vlaanderen voorziet voor sociaal wonen zouden ook ingezet kunnen worden om beter gelegen gronden te verwerven. Tegelijk stellen we vast dat verouderde sociale woonwijken vaak heel wat kansen bieden voor reconversie en verdichting, maar dat deze onvoldoende worden benut. De herontwikkeling van bestaande wijken vereist immers een complexere aanpak, met meer ontwerp- en procesondersteuning en aangepaste financieringsmechanismen. Als Bouwmeester kan ik hier ondersteuning bieden door pilootprojecten te begeleiden, die naast verdichting ook experimenteerruimte kunnen bieden aan nieuwe woonvormen, een kwaliteitsvollere en klimaatadaptieve inrichting van het publiek domein, of meer verweving met andere (buurt)functies.  

Om het aanbod aan betaalbaar wonen te vergroten, zullen we ook met private partners moeten samenwerken. De goed gelegen gronden in handen van sociale woonmaatschappijen zijn immers ontoereikend voor de berekende vraag, maar ook voor de lagere inkomensgroepen die geen recht hebben op een sociale woning en toch geen woning meer kunnen verwerven, moeten we een alternatief en structureel betaalbaar aanbod ontwikkelen. Een aantal private partijen maken reeds de omslag van snelle winst en verkoop naar andere woonmodellen, op moeilijker te verdichten locaties. Lokale besturen en de Vlaamse overheid kunnen dit soort initiatieven ondersteunen, de samenwerking aangaan en – zoals in vele buitenlandse steden reeds gebeurt – een duidelijker kader voor betaalbaar wonen scheppen door een bepaald percentage sociale en betaalbare woningen op te leggen in private projecten vanaf een bepaalde schaal. Die woningen kunnen vervolgens beheerd worden door sociale woonmaatschappijen of stedelijke huurbedrijven. Hier kan ook ruimte gecreëerd worden voor gemengde woonwijken, waarin sociaal wonen gecombineerd wordt met niet-winstgedreven woonmodellen, zoals coöperatief wonen, én private woningen.  

Ten slotte is het van belang om de woonuitdagingen in een bepaalde stad of gemeente niet los te zien van die in de omliggende gemeenten. Omdat Vlaanderen historisch is ontwikkeld als een netwerk van kleinere steden en kernen, verbonden via een uitgebreid spoor- en wegennetwerk, hebben het woonbeleid en het woonaanbod op één plek impact op andere gemeenten binnen dezelfde woonregio. Dat betekent dat het woonbeleid bovenlokaal én in overeenstemming met investeringen in openbaar vervoer ontwikkeld moet worden. Voor die opdracht is het van belang dat het Departement Omgeving en het Agentschap Wonen verder samenwerken, zoals ze nu reeds doen in het kader van de taskforce wonen-ruimte. Ook hieraan willen we met het Team Vlaams Bouwmeester graag ons steentje blijven bijdragen.