Publiek Project, ambitienota 2026–2030
Deze webpagina bevat de integrale tekst van Publiek Project, ambitienota 2026–2030, de ambitienota van Vlaams Bouwmeester Véronique Claessens. Je kan de ambitienota ook bestellen of downloaden via onderstaande link.
Handen uit de mouwen
Een kwarteeuw Vlaams bouwmeesterschap heeft een cultuur van samenwerking en ruimtelijke kwaliteit in het leven geroepen, niet alleen bij de Vlaamse overheid, maar ook bij lokale besturen en in de brede maatschappij. In die periode is Vlaanderen uitgegroeid tot een Europese topregio op het vlak van architectuur. We gaan bewuster om met de ruimte en hebben een scherpe gevoeligheid ontwikkeld voor architecturale kwaliteit. Ontwerpen en bouwen worden niet langer gezien als louter technische of commerciële activiteiten, maar als een opdracht met een uitgesproken maatschappelijke verantwoordelijkheid. Op die rijke traditie bouw ik verder.
Elke Bouwmeester gaf op eigen wijze richting aan het mandaat, vanuit de eigen expertise, denkbeelden en gevoeligheden voor eigentijdse ruimtelijke vraagstukken. b0b Van Reeth (1999–2005) legde het fundament. Hij bepleitte voorbeeldig opdrachtgeverschap, architectuurkwaliteit en duurzaamheid en riep de Open Oproep in het leven, tot vandaag een van de best gekende instrumenten van de Bouwmeester. Marcel Smets (2005–2010) bracht het landschap en de infrastructuur die aan de basis liggen van onze welvaart in beeld en drukte zijn stempel op grootschalige publieke bouwprogramma’s, onder meer in de scholenbouw. Peter Swinnen (2010–2015) stond voor excellentie, experiment en radicaal toekomstdenken; onder zijn impuls kregen de Pilootprojecten en het onderzoek van Labo Ruimte vorm. Stefan Devoldere (2015–2016) was een uitgesproken pleitbezorger van ontwerpend onderzoek als medium om tot geïntegreerde projecten te komen en vrijwaarde de autonomie van het bouwmeesterschap als instituut. Leo Van Broeck (2016–2020) zette het ecologische en landschappelijke bewustzijn op scherp en hamerde op een fundamentele omslag in ons ruimtegebruik. Erik Wieërs ten slotte (2020–2025) benadrukte de menselijke maat en ijverde voor collectiviteit, gemeenschappelijkheid en ontmoeting in het wonen.
Wat hen allen verbindt, is het geloof in de oplossende en verbindende kracht van het ontwerp. Het consequent binnenbrengen van ontwerpend denken tot in de kern van het Vlaamse beleid is geen luxe, maar een noodzakelijke voorwaarde om complexe ruimtelijke vraagstukken op een samenhangende en toekomstgerichte manier te benaderen. Kwaliteit gaat niet over ‘hoe het eruitziet’ – het mooie plaatje – maar over het gezond en efficiënt functioneren van ruimtelijke systemen. In die zin is ruimtelijke kwaliteit geen bijkomstigheid, maar een essentiële voorwaarde voor welvaart en welzijn in Vlaanderen. Kwaliteit is niet de kers, maar de taart zelf.
Nu ik in de voetsporen treed van mijn illustere voorgangers, wil ik verduidelijken welke ambities ik koester voor de komende vijf jaar. Terwijl mijn voorgangers voornamelijk praktiserende architecten of academici waren, heb ik een andere achtergrond. Ik werkte jarenlang als directeur ruimtelijke ontwikkeling bij de stad Genk, waar ik tal van grote en kleinere stedelijke, landschappelijke en economische projecten initieerde en leidde, zoals de ontharding van de Evence Coppéelaan, de heropleving van de Stiemervallei of de reconversie van het Kolenspoor, om er maar enkele te noemen. In die rol kwam ik geregeld in aanraking met de Bouwmeester en zijn Team – in het kader van open oproepen, adviesvragen, onderzoeksprojecten of debatten – en kon ik van nabij ervaren welke meerwaarde de Vlaamse Bouwmeester kan bieden aan lokale besturen. Die inspirerende, ondersteunende en bemiddelende rol wil ik de komende jaren voluit opnemen.
In mijn vorige functie werkte ik ook voortdurend samen met de verschillende Vlaamse overheidsdiensten. Ik kwam er in contact met gedreven mensen en een overschot aan expertise, maar – het moet gezegd – ik botste soms ook op de stuggere kanten van de Vlaamse overheidsmachine: een kluwen van departementen en agentschappen, de verkokering van beleidssectoren, overregulering, soms tegenstrijdig beleid, trage procedures. Kortom, ik ken de bezorgdheden van lokale besturen, de moeilijkheden en drempels, maar ook de hefbomen en kansen. Die kennis en gevoeligheid wil ik meenemen in mijn nieuwe rol als Vlaams Bouwmeester: als een verbindende figuur tussen Vlaamse overheid en lokale besturen.
Een kwarteeuw bouwmeesterschap heeft veel goeds gebracht. Tegelijk moeten we vaststellen dat heel wat pijnpunten die eerdere bouwmeesters op de agenda plaatsten, vandaag nog altijd brandend actueel zijn. Ondanks vijfentwintig jaar inspanningen blijft Vlaanderen kampen met dezelfde ruimtelijke problemen: de versnippering van open ruimte en natuur, een haperende mobiliteit en een woonproductie die onvoldoende aansluit bij maatschappelijke noden. Deze uitdagingen zijn de voorbije jaren uitentreuren opgesomd en toegelicht. De diagnose is meermaals gesteld, we weten wat er scheelt – het is tijd om de handen uit de mouwen te steken.
Uiteraard kan een Bouwmeester niet alle problemen oplossen, maar hij of zij kan wel mee de juiste richting aangeven. Daarom kies ik in mijn mandaat expliciet voor een uitgesproken hands-on benadering: van beschouwing naar realisatie, van visie naar actie op het terrein. Ik wil mijn vijfjarige mandaat in het teken plaatsen van uitvoering en verbinding, en tonen hoe visie werkelijkheid kan worden. Ik wil een verbindingsfiguur zijn tussen beleidsniveaus, disciplines, sectoren en mensen. De grote ruimtelijke vraagstukken – wonen, landschap, infrastructuur en publieke ruimte – vragen geen nieuwe structuren of ‘kokers’, maar nieuwe vormen van samenwerking. Projectmatig, lokaal en geïntegreerd samenwerken is de motor van verandering: een Bouwmeester die denkt en doet – een Bouwmeester die bouwt!
De performatieve kracht van projecten
De handen uit de mouwen steken betekent voor mij in de eerste plaats: werken aan projecten en concrete realisaties. Ik geloof sterk in de performatieve kracht van projecten. In het project wordt visie werkelijkheid. Pas wanneer ideeën niet alleen worden gevormd en uitgesproken, maar ook getest en tastbaar gemaakt in de ruimte en in het dagelijks leven, krijgen ze hun volle betekenis, scherpte en overtuigingskracht. Projecten zijn geen illustraties achteraf: ze laten denken en handelen samenvallen.
Een van de markantste voorbeelden is de kwaliteitssprong die onze steden de voorbije drie decennia hebben gemaakt dankzij het systematisch inzetten op ‘stadsvernieuwingsprojecten’. Dat zijn projecten met een duidelijke ambitie, gekoppeld aan innovatieve programma’s en ondersteund met een substantieel fonds. De stadsvernieuwingsprojecten waren hefbomen voor verandering. Ze koppelden uiteenlopende beleidsdoelstellingen, mobiliseerden middelen en actoren, en maakten het mogelijk om op het terrein te experimenteren met nieuwe visies op wonen, publieke ruimte, stedelijke economie en burgerparticipatie.
De projectmodus is stevig verankerd in de werking van de Vlaamse Bouwmeester. In de voorbije vijfentwintig jaar is een rijk instrumentarium ontwikkeld, met onder meer de Open Oproep, de Oproep aan geïnteresseerden en de Pilootprojecten – elk met hun eigen tempo, intensiteit en doelgerichtheid. De Open Oproep, de selectieprocedure voor ontwerpers, is een van de bekendste instrumenten van de Vlaamse Bouwmeester. Hij staat garant voor transparantie, heeft kwaliteit en vernieuwing op de agenda van publieke opdrachtgevers geplaatst en fungeert tegelijk als uithangbord voor Vlaamse architecten. De Open Oproep heeft zijn waarde bewezen, maar mag niet louter een middel zijn om de juiste ontwerper aan te stellen voor een gegeven bouwopgave. De bouwopgave zélf moet kritisch worden bevraagd. Vaak is het zinvol een stap terug te zetten en enkele fundamentele vragen op te werpen: moet er wel gebouwd worden? Waarom een bestaand gebouw slopen? Kan de gevraagde functie niet elders worden ondergebracht? De meerwaarde van de Bouwmeester ligt niet in het beslechten van esthetische details, maar in het bevragen van de opdracht zelf, in het aansturen op systemische verandering en in het bewaken van de maatschappelijke relevantie van publieke bouwprojecten.
Daarnaast is de Open Oproep een arbeidsintensieve procedure, die niet voor elke publieke opdracht aangewezen is. Daarom ontwikkelden eerdere bouwmeesters de Oproep aan geïnteresseerden: een wendbare en lichtere methodiek voor kleinere opdrachten en verkennende trajecten. De Oproep aan geïnteresseerden – als het ware een ‘Open Oproep light’ – is laagdrempelig, flexibel en snel inzetbaar. Ik wil dit instrument de komende jaren verder uitbouwen. Net in zijn kleinschaligheid schuilt zijn kracht: het maakt het mogelijk om op korte termijn en op veel plaatsen tegelijk gerichte beleidsdoelstellingen te realiseren. Door trajecten te bundelen – rond thema’s die ik verder in deze nota ontwikkel, zoals betaalbaar wonen, inclusieve publieke ruimte, natuur in de stad of verantwoord ontwerpen en bouwen – wil ik impact genereren zonder langdurige voorbereidingstrajecten of zware procedures. Vele kleine projecten samen kunnen een groot verschil maken en de noodzakelijke transities in een stroomversnelling brengen.
Ook het instrument van de Pilootprojecten wil ik gericht inzetten om via concrete realisaties innovatie te versnellen in specifieke domeinen, zoals wonen, publieke ruimte, landschap of natuur. Pilootprojecten zijn demonstratieprojecten waarin nieuwe visies, werkwijzen en samenwerkingen voor het eerst in de praktijk worden getest. Ze zetten een kader uit waaraan anderen kunnen verder bouwen. De grote uitdaging bestaat erin de eenmaligheid van het experiment te overstijgen: de verkregen inzichten moeten doordringen tot de reguliere praktijk en een vertaling krijgen in het beleid.
Geïntegreerd samenwerken
Mijn taak als Vlaams Bouwmeester bestaat erin de Vlaamse overheid te adviseren, te begeleiden, te inspireren en te sensibiliseren rond ruimtelijke kwaliteit. Als onafhankelijke expert bewaak ik de kwaliteit van publieke projecten en sla ik een brug tussen overheden en ontwerppraktijk. Het is geen toeval dat het instituut van de Vlaamse Bouwmeester ressorteert onder de minister-president. Die positionering verleent het bouwmeesterschap een uitgesproken transversale rol en maakt het mogelijk om over beleidsdomeinen heen te werken, verbanden te leggen en samenhang te bewaken.
Sommige departementen en agentschappen zijn intussen vertrouwd met de werking van de Bouwmeester en werken structureel samen, andere veel minder. Daar ligt nog werk: de Bouwmeester moet zich sterker positioneren tussen de Vlaamse beleidslijnen. Samen met de Vlaamse departementen en agentschappen moeten we ons buigen over de aankomende investeringsprogramma’s en systematisch bekijken waar samenwerking mogelijk is. De meerwaarde van samenwerken met de Bouwmeester moet een vanzelfsprekendheid worden.
De Vlaamse Bouwmeester is niet alleen een adviseur voor het Vlaamse beleidsniveau maar ook voor lokale besturen. Lokale besturen zijn de eerste bouwheren van Vlaanderen: zij zijn het die de grote ambities op het terrein moeten waarmaken. Veel lokale besturen hebben intussen de weg gevonden naar de dienstverlening van de Vlaamse Bouwmeester, andere aarzelen nog. Door onder meer in te zetten op laagdrempelige projecten via een ‘Open Oproep light’ wil ik meer lokale besturen en publieke opdrachtgevers bereiken en op die manier de impact vergroten.
Lokale projecten vormen een krachtige hefboom om geïntegreerd samenwerken in de praktijk te brengen. In plaats van top-down te proberen Vlaamse beleidslijnen op elkaar af te stemmen, vertrekken we van een concreet project waarin het lokale bestuur een natuurlijke regierol opneemt, versterkt door de Bouwmeester. Een goed ontwerp is per definitie geïntegreerd: het verbindt belangen, beleidsdomeinen en schaalniveaus. Hoewel deze aanpak de verkokering van het beleid niet onmiddellijk opheft, maakt hij via concrete praktijken zichtbaar waar de knelpunten zitten. Goede praktijken wijzen de weg naar structurele verandering.
Wegen op het beleid
De Vlaamse Bouwmeester is geen democratisch verkozen beleidsmaker en schrijft geen wetten of decreten. Toch is wegen op het beleid een kernopdracht van het bouwmeesterschap. Niet door beslissingen te nemen in plaats van de politiek, evenmin door oppositie te voeren, maar door richting te geven, inzichten aan te reiken en alternatieven zichtbaar te maken. De kracht van de Bouwmeester ligt precies in die tussenpositie: onafhankelijk, inhoudelijk onderbouwd en verankerd in de praktijk.
Impact hebben betekent ook naar buiten treden en zichtbaar zijn. Het Team Vlaams Bouwmeester levert veel en waardevol werk, maar een deel van die initiatieven en resultaten blijft vandaag te weinig gekend bij het brede professionele veld en beleidsmakers. Instrumenten zoals de Bouwmeester Scan en studies rond Leefbuurten hebben een grote meerwaarde, maar bereiken onvoldoende het publiek en het beleid. Ik wil daarom sterker inzetten op het expliciet tonen van het concrete werk en de opgebouwde kennis. Communicatie en publiekswerking zijn essentiële hefbomen om draagvlak te creëren voor soms lastige maatschappelijke transities. Ik wil het Atelier Bouwmeester in de Brusselse Ravensteingalerij nog meer activeren als een open en publieke plek: een ruimte waar projecten, onderzoeken en experimenten zichtbaar worden gemaakt via tentoonstellingen, debatten en ontmoetingen.
De komende vijf jaar structureer ik mijn mandaat rond drie werkvelden. Twee daarvan zijn inhoudelijk en thematisch: ‘betaalbaar wonen’ en ‘inclusieve publieke ruimte’. Het derde werkveld betreft veeleer een attitude, een manier van werken die door alle projecten en dossiers heen loopt: ‘verantwoord ontwerpen en bouwen’.
Betaalbaar en kwaliteitsvol wonen
Mijn eerste prioritaire werkveld is betaalbaar en kwaliteitsvol wonen. Jonge gezinnen en alleenstaanden hebben het steeds moeilijker om een eigen woning te verwerven. Woningen op de private huurmarkt zijn schaars en vaak van slechte kwaliteit. Er zijn lange wachtlijsten voor sociale woningen en de sociale huisvestingssector is structureel ondergefinancierd. De komende jaren moeten er duizenden nieuwe woningen bijkomen en ook het bestaande patrimonium is dringend aan renovatie toe.
Alsof dat nog niet volstaat, komt daar nog een andere uitdaging bij: de bouwshift. Vlaanderen wil geen bijkomende open ruimte meer aansnijden en stuurt aan op verdichting in bestaande kernen. Net daar knelt het schoentje: wonen in steden en goed ontsloten kernen is vandaag aanzienlijk duurder dan wonen op afgelegen locaties. De plekken die door het beleid worden aangeprezen, zijn tegelijk het minst betaalbaar. Dat stelt de vraag op scherp: hoe maken we betaalbaar wonen in goed gelegen kernen mogelijk? Hoe verzoenen we de bouwshift met betaalbaar wonen?
Betaalbaar en kwaliteitsvol wonen is een van de meest omvangrijke en complexe opgaven van vandaag. Ze raakt tegelijk aan ruimtelijke ordening en architectuur, verdichting en renovatie, maar ook aan marktmechanismen, grondposities en juridische en financiële kaders. Bovendien is de woonopgave nauw verweven met mobiliteit, voorzieningen en de relatie tussen stad en ommeland. Ze laat zich dan ook niet oplossen door aan één enkele knop te draaien. Wie betaalbaar wonen ernstig wil nemen, moet de problematiek integraal en systemisch benaderen.
De komende vijf jaar wil ik de problematiek in kaart brengen en vertalen naar werkbare antwoorden. In het Labo Ruimte-onderzoek ‘Betaalbaar wonen, een ontwerpvraagstuk’ gaan we samen met het Departement Omgeving na hoe betaalbaar en kwaliteitsvol wonen kan worden verbonden met de bouwshift en met klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen. Labo Ruimte verkent in dialoog met diverse actoren hoe die complexe opgave kan leiden tot vernieuwende ruimtelijke oplossingen, processen, instrumenten en samenwerkingsvormen.
Ik zie opportuniteiten. Vlaanderen investeert de komende legislatuur 6 miljard euro in de realisatie van 50.000 nieuwe sociale woningen tegen 2042. Dat investeringsprogramma is een momentum dat ik wil benutten om het woonvraagstuk structureel mee in de juiste richting te sturen. In het verleden kochten sociale huisvestingsmaatschappijen vaak goedkope, slecht gelegen gronden in woonreservegebieden, soms zelfs in overstromingsgevoelige zones. Die praktijk botst niet alleen met de bouwshift, maar ook met basisprincipes van sociale inclusie: sociale woningen horen niet aan de rand, maar geïntegreerd in dorps- en stadskernen. Structurele systeemfouten vragen om structurele oplossingen, onder meer door ook de private sector verantwoordelijkheid te laten opnemen en sociale woningen te verankeren in de reguliere woonproductie op goed gelegen private gronden.
Via bestaande instrumenten – in het bijzonder de Oproep aan geïnteresseerden, de ‘Open Oproep light’ – wil ik een reeks projecten rond grootschalige sociale woonwijken bundelen en begeleiden, onder meer met masterplannen die mogelijkheden voor reconversie en verdichting onderzoeken. Door onderzoek, ontwerp en realisatie te koppelen binnen ambitieuze bouw- en investeringsprogramma’s kunnen we opschalen en impact creëren. Concreet betekent dit: masterplannen clusteren, per cluster ontwerpteams inzetten en de belangrijkste dossiers intensief begeleiden. Binnen deze programma’s maken lokale besturen, sociale huisvestingsmaatschappijen en de Vlaamse overheid duidelijke afspraken over de realisatie van hun doelstellingen. Die samenwerkingsstructuur, waarin lokale, Vlaamse en maatschappelijke actoren gezamenlijk plannen, vormt een veelbelovend model voor geïntegreerd samenwerken.
Om de woonkwaliteit te versterken hebben bouwmeesters vóór mij sterk gehamerd op collectieve woonvormen, met gedeelde tuinen of gemeenschappelijke voorzieningen. Niet alleen de woonvorm maar ook de woonproductie kan winnen aan collectiviteit. Daarom wil ik onderzoek voeren naar alternatieve modellen voor eigendom, ontwikkeling, productie en beheer, zoals wooncoöperaties, de scheiding van grond en gebouw via erfpacht of opstal, community land trusts, collectieve wijkgerichte renovatieprogramma’s, publiek-private ontwikkelingsmodellen met sociale quota en rollende fondsen. Deze benaderingen openen perspectieven op structurele betaalbaarheid en maken de woonopgave efficiënter en socialer.
We starten Pilootprojecten op rond coöperatief bouwen en wonen. Via een gerichte oproep zoeken we ambitieuze opdrachtgevers die grond ter beschikking stellen voor de ontwikkeling van een wooncoöperatie. Dit model vertrekt van een fundamenteel ander perspectief op wonen: niet als verdienmodel, maar als maatschappelijke verantwoordelijkheid en recht. Bewoners wonen er aan kostprijs en zijn mede-eigenaars; de meerwaarde blijft binnen het project, terwijl de grond in collectieve eigendom blijft. Dat maakt het eenvoudiger om de ruimtelijke kwaliteit te sturen. Het coöperatieve model staat haaks op de dominante Vlaamse wooncultuur, waarin het verwerven van de eigen woning nog steeds de norm is, maar is in andere landen, met name Zwitserland, een volwaardig onderdeel van het woonlandschap. Met de Pilootprojecten wil ik onderzoeken onder welke juridische, financiële en ruimtelijke voorwaarden ‘wonen aan kostprijs’ ook in Vlaanderen structureel kan worden verankerd
Een democratische en inclusieve publieke ruimte
Mijn tweede prioritaire werkveld is de publieke ruimte. Mensen wonen niet alleen in hun huis, maar ook in een straat, een wijk, een dorp of een stad – samen met hun buren en medeburgers. De publieke ruimte is het verlengstuk van het huis: wie de intimiteit van de woning verlaat, stapt het publieke leven in. Pleinen, straten en parken vormen het podium van het samenleven. Hier krijgt gemeenschap vorm. Het zijn plekken van ontmoeting en ontspanning, van spel en zorg, van initiatief en bedrijvigheid, van solidariteit en dialoog, maar ook van conflict, polarisatie en protest.
De publieke ruimte is een representatieve ruimte: het is de plek waar mensen naar buiten treden – en ook de overheid zich toont. Vroeger deed ze dat met standbeelden en pronkgevels, vandaag met kwalitatieve architectuur en de inrichting van een inclusieve en veilige ruimte waar iedereen zich – ongeacht generatie, gender, afkomst, overtuiging – thuis kan voelen. De publieke ruimte is een centrale bouwsteen van een gezonde, democratische en inclusieve samenleving. De publieke ruimte belichaamt onze democratische waarden.
Als Bouwmeester wil ik van de democratische en inclusieve publieke ruimte een van mijn speerpunten maken. De voorbije jaren lag de focus sterk op klimaatadaptatie: ontharding, vergroening en verkoeling. Die inzet is noodzakelijk en blijft dat ook. Tegelijk wil ik de publieke ruimte breder benaderen. Leefbaarheid is niet alleen een ecologische, maar ook een sociale opgave. Ontmoeting, gebruikservaring en herkenning zijn even essentieel. Elke vierkante meter publieke ruimte moet tegelijk bijdragen aan waterberging en biodiversiteit – én aan sociale samenhang. Dat vraagt om een én-én-benadering: een infiltratiezone kan ook een speelplek zijn, een groen plein kan tegelijk verkoeling bieden en de identiteit van een buurt versterken.
Vlaanderen telt al mooie voorbeelden van inclusieve publieke ruimtes. Ik grijp graag terug naar mijn ervaring in Genk, waar we er bewust voor kozen om in elk ontwerp en bij elke heraanleg van de publieke ruimte expliciet aandacht te schenken aan de leefwereld, educatie en ontwikkeling van kinderen en jongeren. Met deze ingrepen wilden we inspelen op een specifieke lokale problematiek van leerachterstand en schooluitval. De publieke ruimte is de plek waar jongeren veel vrije tijd doorbrengen; het is tegelijk de plek waar we hen als overheid kunnen ontmoeten en bereiken. Deze projecten tonen hoe architectuur en ontwerp meer kunnen zijn dan een ruimtelijke ingreep alleen: ze kunnen een rechtstreeks antwoord bieden op maatschappelijke uitdagingen. Ik heb ervaren hoe kwaliteitsvolle publieke ruimte wijken kan transformeren en hoe bewoners daardoor opnieuw betrokken raken bij hun buurt en bij elkaar.
Publieke ruimte is pas echt inclusief wanneer ze mee wordt gemaakt en bedacht door wie ze gebruikt. Daarom beschouw ik participatief en cocreatief ontwerp als een structureel onderdeel van elk project voor de publieke ruimte. De vraag voor wie we ontwerpen, moet in elk project vanaf het begin centraal staan. Buurtbewoners, kinderen en jongeren, verenigingen en ondernemers brengen kennis, gebruikservaring en betekenis mee die het ontwerp verrijken en verankeren. Het zijn uiteindelijk de bewoners en gebruikers die het eigenaarschap van hun publieke ruimte mee opnemen en er verantwoordelijkheid voor dragen.
Daarom wil ik de ontwerppraktijk verbreden en diversifiëren. Door met verschillende brillen naar een opgave te kijken ontstaan vaak onverwachte en rijkere oplossingen. In het ontwerp voor de publieke ruimte wil ik naast ontwerpers ook antropologen, sociologen, kunstenaars, buurtwerkers, participatiedeskundigen en bewoners betrekken. Dat verruimt niet alleen het perspectief, maar versterkt ook het democratische en gebruikersgerichte karakter van de publieke ruimte.
De publieke ruimte is vandaag nog te vaak een blinde vlek in bouwprojecten. Als Bouwmeester wil ik haar daarom centraal stellen in élk project – niet als sluitstuk, maar als startpunt van een geïntegreerd ontwerpproces. Daarbij wil ik bestaande instrumenten gericht inzetten, zoals de Open Oproep, de Meesterproef voor jonge ontwerpers en de Oproep aan geïnteresseerden. Met deze laatste kunnen we snel en op veel plaatsen tegelijk kleine maar betekenisvolle veranderingen realiseren. Via thematische oproepen rond publieke ruimte kunnen we expertise bundelen, ervaringen uitwisselen en concrete ingrepen begeleiden die tastbaar maken hoe ontwerp, gebruik en betrokkenheid samen ruimtelijke kwaliteit voortbrengen. De publieke ruimte is bij uitstek het domein waar ontwerp, beleid en samenleving elkaar raken. Kwalitatieve publieke ruimte is geen luxe, maar een basisvoorwaarde voor een leefbaar, veerkrachtig en democratisch Vlaanderen.
Verantwoord ontwerpen
Mijn derde prioritaire werkveld overstijgt sectoren en ruimtelijke contexten. ‘Verantwoord ontwerpen’ is geen derde inhoudelijke pijler naast betaalbaar wonen en inclusieve publieke ruimte, maar een fundamentele houding die ik bij elk publiek project consequent wil aannemen en bevorderen. Dat begint bij enkele eenvoudige, maar fundamentele vragen: is het wel nodig om hier te bouwen? Is dit de juiste plek? Kan hergebruik of transformatie een volwaardig alternatief zijn? Wat is op lange termijn de meest duurzame en zorgzame oplossing voor deze ruimtelijke vraag? Zijn de juiste keuzes gemaakt en de juiste vragen gesteld?
Met deze ontwerpattitude wil ik bijdragen aan oplossingen voor de grote uitdagingen van vandaag. Ik doel in de eerste plaats op de klimaatcrisis. De bouwsector is een van de grootste uitstoters van broeikasgassen, en biedt net daardoor grote kansen om de klimaatdoelstellingen te realiseren. Daarnaast dwingen de schaarste aan ruimte en hulpbronnen ons tot bewuste en verantwoorde keuzes in ontwerp, programmering en uitvoering. Dat hoeft niet te leiden tot minder ambitie of kwaliteit. Integendeel, in de beperking toont zich de meester.
De toekomst van het bouwen begint bij het waarderen en herwaarderen van wat er al is. Dat vraagt een andere houding: niet eindeloos uitbreiden en bijbouwen, maar spaarzaam omgaan met ruimte, materialen en middelen, bestaande gebouwen herbestemmen in plaats van steevast te kiezen voor sloop en nieuwbouw, leegstand bestrijden en infrastructuur en ruimte meervoudig gebruiken. Ook in het bouwen zelf kunnen de principes van de circulaire economie ingang vinden, door te werken met herbruikbare, demonteerbare, natuurlijke en lokaal geproduceerde materialen. De komende vijf jaar wil ik lokale besturen en andere grote vastgoedbeheerders, zoals universiteiten of kerkfabrieken, ondersteunen bij een doordachte omgang met hun gebouwen. Met ‘patrimoniumplanning’ brengen we de staat, het gebruik en het potentieel van het patrimonium in kaart, zodat opdrachtgevers weloverwogen keuzes kunnen maken over behoud, herbestemming of afstoot. Reconversie kan economische meerwaarde opleveren. Door bestaande gebouwen en industriële sites te transformeren, koppelen we klimaatwinst en ruimtelijk rendement aan kansen voor nieuwe vormen van productie, creatieve industrie en maakeconomie, als fundament van een gezonde en veerkrachtige stedelijke economie.
Ook het denken rond nature-based solutions sluit nauw aan bij deze ontwerpfilosofie. De mens is inventief, maar vaak is de natuur nog inventiever. Nature-based solutions vertrekken van natuurlijke processen om ruimtelijke, ecologische en maatschappelijke doelstellingen te realiseren. Klassieke voorbeelden zijn natuurlijke duinvorming in plaats van betonnen dijken, gecontroleerde overstromingsgebieden in plaats van ingesloten rivieroevers, of een bos aanplanten in plaats van een fabriek bouwen die CO2 uit de atmosfeer haalt. Het kan ook bescheidener: een gemeente die haar dorpsplein onthardt om verkoeling te brengen tijdens hete zomers, een waterloop die opnieuw bovengronds mag stromen en voor gezelligheid zorgt in het stadscentrum, of een speelplek met een wadi. Natuurlijke ingrepen zijn vaak niet alleen efficiënter en goedkoper dan grote infrastructuurwerken, ze zorgen ook voor een aangename, gezondere en mensvriendelijke leefomgeving. Ook dat is innovatie!
Verantwoord ontwerpen betekent zorg dragen voor ons kleine grondgebied, voor de planeet en voor de kwaliteit van water, bodem en lucht. Wat we vandaag doen, mag geen hypotheek leggen op de toekomst en mag volgende generaties niet opzadelen met afval, schade of onomkeerbare keuzes.
De komende vijf jaar wil ik het brede begrip verantwoord ontwerpen verder uitdiepen en expliciet op de kaart zetten als een maatschappelijk kader dat ecologische, ruimtelijke en sociale opgaven met elkaar verbindt. Verantwoord ontwerpen vormt de rode draad doorheen mijn mandaat: een manier van kijken, denken en handelen die richting geeft aan elk project en bijdraagt aan een duurzame en zorgzame omgang met de ruimte in Vlaanderen.
Véronique Claessens,
Vlaams Bouwmeester
Is this page clear?
Last reviewed on: .